Arbeidsrecht

Ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid; recht op transitievergoeding na 1 juli 2015 bij ontslag via het UWV
Wegens langdurige arbeidsongeschiktheid kan de arbeidsovereenkomst na twee jaar ziekte (of bij een loonsanctie voor de werkgever na drie jaar) beëindigd worden via een ontslag met wederzijds goedvinden of via een UWV procedure. Bij een beëindiging met wederzijds goedvinden geldt vanaf 1 juli a.s. een bedenktijd van 2 weken, die in de vaststellingsovereenkomst moet worden vermeld. In beginsel is de transitievergoeding niet verschuldigd bij wederzijds goedvinden. De algemene verwachting is echter dat een reflexwerking zal uitgaan van de transitievergoeding.

De UWV ontslagprocedure zal naar verwachting vier tot vijf weken in beslag nemen als op basis van de ontslagaanvraag en de schriftelijke reactie van de werknemer (binnen veertien dagen), duidelijk is hoe de zaken ervoor staan. Is de situatie onduidelijk, dan kan de procedure wel acht à negen weken in beslag nemen.

Is er recht op een transitievergoeding en mogen re-integratiekosten daarop in mindering worden gebracht?

In de Memorie van Antwoord (1 mei 2014) betreffende het wetsvoorstel Werk en Zekerheid reageerde minister Asscher op de vraag of de kosten van loondoorbetaling tijdens ziekte en re-integratiekosten op de transitievergoeding in mindering mogen worden gebracht.

De minister wees erop dat de plicht tot loondoorbetaling bij ziekte een re-integratieplicht van de werkgever is die voortvloeit uit de Wet uitbreiding loondoorbetaling bij ziekte (Wulbz) en de Wet Verbetering Poortwachter (Wvp). De minister noemt daarbij dat de werkgever op grond van deze wetgeving ook andere re-integratieverplichtingen heeft en dat daar re-integratieverplichtingen van de werknemer tegenover staan. ‘’Een aftrek van kosten die de werkgever uit hoofde van zijn wettelijke verplichtingen voor re-integratie maakt, sluit niet aan bij het uitgangspunt dat werkgever en werknemer overeenstemming moeten hebben over de aftrek van kosten van de transitievergoeding. Een werknemer die arbeidsongeschikt is (geweest) zou anders worden behandeld dan een andere werknemer, waarvoor naar het oordeel van de regering geen rechtvaardiging bestaat.’’

Kosten van re-integratieverplichtingen en kosten van loondoorbetaling bij ziekte kunnen dus niet op de transitievergoeding in mindering worden gebracht. De werkgever is daarmee - ook na twee jaar arbeidsongeschiktheid - een transitievergoeding verschuldigd aan de werknemer, als het dienstverband op initiatief van de werkgever eindigt.

Bedrijfstakpensioenfonds op uw onderneming van toepassing?

Verplichtstelling bedrijfstakpensioenfonds 
De pensioenaanspraak bij een verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds (bpf) wordt bepaald door de werkingssfeer van dat bedrijfstakpensioenfonds en de activiteiten van uw onderneming. De aanspraak is niet afhankelijk van de vraag of u als werkgever zich bij het pensioenfonds heeft aangemeld en premie heeft betaald. De werkingssfeerbepalingen van een bpf zijn vaak identiek aan de werkingssfeerbepalingen van de toepasselijk Cao in uw sector, maar wijken daar soms ook op belangrijke punten van af. Uw MTH adviseur kan onderzoeken of voor uw onderneming een verplichtstelling tot aansluiting bij een bpf geldt.

Wettelijke basis
De pensioenrechten van werknemers hebben een wettelijke basis. In de Wet Verplichte deelneming in een Bedrijfstakpensioenfonds (Wet bpf) is de rechtsvordering van pensioenfondsen geregeld en op grond van deze wet kan uiteindelijk zelfs de bestuurder persoonlijk aansprakelijk worden gesteld voor de afdracht van premies. Aansluiting en premieafdracht kan – afhankelijk van de ontwikkeling in de werkzaamheden van uw bedrijf - met terugwerkende kracht van ten minste vijf jaar verplicht zijn.

Rol DNB
De Nederlandsche Bank (DNB) gaat in 2015 bij een tiental bedrijfstakpensioenfondsen onderzoeken welke maatregelen zij hebben getroffen om het risico op onvolledige aansluiting van werkgevers te beheersen. DNB zal daarbij ook nagaan of het pensioenfonds het risico en de mogelijke schade in kaart heeft gebracht en tot welke conclusies dit heeft geleid. Ondernemingen worden in dit kader aangeschreven door bedrijfstakpensioenfondsen zelf of door een door het pensioenfonds ingeschakeld bureau. Meestal wordt dan een afspraak gemaakt voor een bedrijfsbezoek. Aan de hand van dit bezoek wordt vervolgens een rapport opgemaakt, waarin dikwijls wordt geconcludeerd dat sprake is van een verplichting tot deelname.

Verhouding bpf en eigen pensioenregeling
De bedrijven, die niet aangesloten zijn bij een bpf, hebben vaak een pensioenregeling gesloten bij een verzekeringsmaatschappij voor (een deel van) de medewerkers. Regelmatig leidt een naderende verlenging van een lopend contract met de verzekeraar tot een herbeoordeling van de aansluitingsverplichting bij een bpf.

Gevolgen conclusie: aansluiting bij bpf is verplicht
Meestal is het niet in het financiële belang van uw onderneming als uit de feiten onomstotelijk naar voren komt dat deelname aan een bpf verplicht is. Het uit de weg gaan van deze conclusie is echter geen goede keuze, omdat het pensioenfonds vroeg of laat toch bij u zal aankloppen. Uw MTH adviseur kan u in deze situatie begeleiden bij een goede overgang naar deelname aan het bpf.

Zoek dichtstbijzijnde locatie

Vul uw plaats of postcode in om de dichtstbijzijnde locatie te vinden.