Wijzigingen btw-teruggaaf oninbare vorderingen

  • 13 december 16


Op Prinsjesdag heeft het kabinet het voorstel bekend gemaakt om de procedure voor teruggaaf van btw op oninbare vorderingen (vooralsnog) per 1 januari 2017 te vereenvoudigen. Uit de praktijk bereiken ons geluiden dat er veel vragen bestaan rondom de nieuwe regeling. Met name de getroffen overgangsregeling zorgt voor onduidelijkheid.

Onderstaand gaan wij in op de verschillen tussen de bestaande en nieuwe regeling. Een schematische weergave van de wijzigingen is in de bijlage opgenomen. Daarin worden ook de gevolgen van de nieuwe fictieve termijnen inzichtelijk gemaakt in situaties dat de oninbaarheid nog niet kan worden vastgesteld.

Belangrijkste wijzigingen
- De invoering van een één-jaarstermijn waarna vorderingen als oninbaar worden beschouwd;
- De mogelijkheid om de btw terug te vragen of te betalen via de reguliere btw-aangifte; en
- De invoering van een regeling rond overdracht van schulden (bijv. factoring).

Huidige regeling teruggaaf oninbare vorderingen
Op grond van de huidige wetgeving ontstaat recht op teruggaaf van btw op het tijdstip waarop blijkt dat de vordering niet is of zal worden betaald.

In de praktijk was dit moment vaak lastig aan te tonen. Zo werd bij faillissement vaak aangesloten bij de slotuitdelingslijst of verklaring van de curator. Of de oninbaarheid moest aangetoond worden via uitgevoerde incassohandelingen en uitlatingen/verklaring van de schuldenaar dat niet betaald gaat worden.

Staat de oninbaarheid vast dan moet een apart verzoek om teruggaaf van btw worden ingediend. Dit verzoek moet worden gedaan binnen één maand na het tijdvak waarin het recht op teruggaaf ontstaat. Werd na teruggaaf alsnog (gedeeltelijk) betaald dan is wettelijk niet voorzien in een regeling dat de terugontvangen btw alsnog verschuldigd is.

Spiegelbeeld: correctie genoten aftrek (bij afnemer)
Tegenover het recht op teruggaaf van de leverancier bestaat ook de verplichting tot betaling door de afnemer. De ondernemer die btw-aftrek heeft genoten moet deze btw terugbetalen op het tijdstip waarop vaststaat of redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij de vergoeding niet betaalt of heeft terug ontvangen. Daarbij geldt dat de btw in ieder geval na afloop van twee jaar (na opeisbaarheid) alsnog is verschuldigd. Wordt later alsnog betaald dan bestaat niet opnieuw recht op aftrek.

Nieuwe regeling teruggaaf oninbare vorderingen
Ook in de nieuwe regeling is het uitgangspunt dat recht op teruggaaf van btw ontstaat op het tijdstip waarop de oninbaarheid van de vordering kan worden vastgesteld. Nieuw is de fictie dat het recht op teruggaaf in ieder geval ontstaat uiterlijk één jaar na het tijdstip waarop de vergoeding opeisbaar is geworden. Bestaat binnen één jaar na het opeisbaar worden geen zekerheid over de oninbaarheid, dan ontstaat er na dat jaar dus recht op teruggaaf.

Onder de nieuwe regeling kan de teruggaaf via de btw-aangifte worden gedaan en hoeft hiervoor niet langer een afzonderlijk verzoek ingediend te worden. De teruggaaf moet worden gedaan in de btw-aangifte over het tijdvak waarin het recht op teruggaaf is ontstaan. Dit betekent dat ook in de nieuwe regeling is termijnbewaking van belang blijft. Wordt het verzoek om teruggaaf niet in het juiste tijdvak ingediend dan kan het recht op teruggaaf door de Belastingdienst worden geweigerd.
Wat verder verandert is dat wanneer later alsnog sprake is van een (gedeeltelijke) betaling, de teruggevraagde btw op deze (gedeeltelijke) betaling alsnog verschuldigd wordt.

Voor vorderingen die opeisbaar zijn geworden in 2016 of eerdere jaren is voorzien in overgangsrecht. Op basis van dit overgangsrecht wordt de één-jaarstermijn voor deze vorderingen geacht te zijn aangevangen op 1 januari 2017. Dit betekent dat voor deze vorderingen op 1 januari 2018 teruggaaf kan worden verkregen, tenzij de oninbaarheid eerder komt vast te staan.

Spiegelbeeld: correctie genoten aftrek (bij afnemer)
De situatie voor de afnemer blijft in de basis gelijk, alleen wordt de btw uiterlijk na één en niet langer na twee jaar verschuldigd. Wel ontstaat bij latere (gedeeltelijke) betaling alsnog recht op aftrek van btw.

De afnemer die niet-betaalt wordt de afgetrokken btw verschuldigd op het tijdstip waarop komt vast te staan dat hij niet of niet geheel zal betalen of de vergoeding gedeeltelijk heeft terugontvangen. Deze btw is echter in ieder geval verschuldigd één jaar na het tijdstip van opeisbaarheid van de vergoeding.

Terugbetaling van de eerder genoten aftrek kan plaatsvinden via de reguliere btw-aangifte. Verder is ook in de situatie nieuw dat wanneer later (na terugbetaling) alsnog sprake is van een (gedeeltelijke) betaling, de btw alsnog in aftrek kan worden gebracht.

Voor vorderingen die opeisbaar zijn geworden in 2015 en waarvan de correctie van de btw-aftrek nog niet is afgewikkeld is in de tweede nota van wijziging de overgangsregeling uitgebreid. Op basis van dit overgangsrecht wordt de genoten btw-aftrek op vorderingen die in 2015 opeisbaar zijn geworden verschuldigd op 1 januari 2017. Voor deze vorderingen wordt het tijdstip opeisbaarheid namelijk bij fictie geacht te zijn gelegen op 1 januari 2016. Dit betekent dat de btw-aftrek op deze vorderingen in de eerste aangifte van 2017 verwerkt moet worden.

Overdracht van vorderingen
Het voorstel voorziet verder ook in een regeling rondom de overdracht van vorderingen. In de situatie dat een vordering wordt overgedragen treedt de overnemer in de plaats van de overdrager. Dit betekent dat de overnemer recht heeft op teruggaaf van de btw op de oninbare vordering. Omgekeerd betekent dit echter ook dat wanneer alsnog (gedeeltelijk) betaald wordt de overnemer de btw op de betaling ook verschuldigd wordt.

De overnemer dient om teruggaaf te verkrijgen nog wel steeds een afzonderlijk teruggaafverzoek in te dienen bij de inspecteur. Voor de overnemer is het dus niet mogelijk om deze teruggave via de btw-aangifte te laten lopen. De vorm en inhoud van een dergelijk verzoek zullen volgens het wetsvoorstel nog nader worden uitgewerkt.

Op basis van een Besluit van de Staatssecretaris kan in de praktijk op dit moment een vergelijkbaar resultaat worden bereikt. Wel biedt de voorgestelde wettelijke vastlegging voor factoringsbedrijven meer zekerheid voor de teruggaaf van btw op oninbare vorderingen.

Mocht er naar aanleiding van het voorgaande vragen zijn, neem dan contact op met uw vaste adviseur bij MTH of met een van onderstaande specialisten van de Adviesgroep Omzetbelasting.

drs. Teunis van den Berg - t.vanden.berg@mth.nl
Jaap Wisse - j.wisse@mth.nl
mr. Joost Severs - j.severs@mth.nl
mr. Twan Arts - mailto:t.arts@mth.nl

Downloads

PDF 2016-11-29_Wijzigingen_btw-terruggaaf_oninbare_vorderingen.pdf Download